Proloog

Mijn leven begon zoals dat van ieder mens: met mijn eerste ademteug. Mijn geboortedag viel op een koude winterdag in 1968, bij volle maan. Mijn moeder was een labiele vrouw die zich moeilijk kon binden. Ze leefde op impulsen, liet zich leiden door verlangen en vluchtigheid en bewoog zich vaak roekeloos door het leven. Vier jaar vóór mijn komst had ze al een kind gekregen uit een eerdere relatie, een zoon die bij zijn vader woonde.

Daarna volgden vele relaties. Uiteindelijk trouwde ze met de man wiens naam ik zou krijgen, al was hij niet mijn biologische vader. Toch bracht ook dit huwelijk geen rust. Er kwam opnieuw een andere man in haar leven, en wat bedoeld was als een kortstondig avontuur kreeg een onverwacht gevolg toen ze zwanger bleek van mij.

De man met wie ze getrouwd was vergaf haar. Hij nam haar, zwanger en wel, weer in huis en deed alsof ik zijn kind was. Maar kort na mijn geboorte liep ook dat huwelijk op de klippen.

Ik was mij uiteraard van niets bewust op mijn geboortedag.

Toch zou dit alles een stempel drukken op mijn levenspad.

Het was een begin dat mij al vroeg liet voelen wat het betekent om ongewenst te zijn, nog vóór ik woorden had om het te begrijpen.

  1. Het begin van mijn leven

Mijn komst in het leven van mijn moeder bracht geen vreugde met zich mee. Voor haar was het een last. Haar zwangerschap beperkte haar in alles wat ze eigenlijk wilde. Het moet een bittere teleurstelling voor haar zijn geweest toen ze mijn biologische vader vertelde dat ze zwanger was en hij duidelijk maakte dat hij geen leven met haar en een kind wilde delen. Ze had geen andere keuze dan terug te keren naar haar echtgenoot. De zwangerschap was inmiddels te ver gevorderd om nog af te breken. Voor haar gevoel zat ze gevangen in een huis met de man met wie ze getrouwd was, terwijl ze juist wild en vrij door het leven wilde gaan. Ik was een kind dat ze negen maanden moest dragen. Van liefde voor het leven dat in haar groeide was geen sprake. Pas veel later, tijdens regressietherapie, zou ik voelen wat die negen maanden met mij hadden gedaan.

Mijn geboorte verliep op zichzelf normaal, maar al snel bleek dat ik mijn voeding niet goed binnenhield. Met spoed moest ik aan mijn neus worden geopereerd en in het ziekenhuis blijven. Tot opluchting van mijn moeder mocht zij naar huis. In de dagen die volgden kwam ze niet op bezoek. Ze ging op pad, leefde haar eigen leven en verdween ’s nachts van huis. Haar echtgenoot schreef mij in bij de burgerlijke stand en gaf mij zijn achternaam.

Twee weken later mocht ik naar huis. Niet mijn moeder haalde mij op uit het ziekenhuis, maar haar man. De relatie tussen hen was inmiddels verder verslechterd. Zij kwam en ging wanneer het haar uitkwam, en hij zag het niet zitten om als werkende man alleen voor een baby te zorgen. Een scheiding was onvermijdelijk. Zo stond mijn moeder er ineens alleen voor, met een kind dat ze nauwelijks wilde zien of horen.

Haar ouders hadden haar als baby geadopteerd en geprobeerd haar met waarden en normen op te voeden. Toch openbaarde haar karakter zich al op jonge leeftijd, wat vaak tot strijd leidde. Toen zij achttien was, verliet ze het ouderlijk huis en trok de wijde wereld in. Gelukkig hielden mijn grootouders contact, al was het op afstand. Pas veel later zou ik begrijpen hoeveel liefde zij voor mij voelden.

De scheiding en mijn komst veranderden het leven van mijn moeder nauwelijks. Ze bleef uitgaan en liet mij alleen thuis. Urenlang lag ik in mijn wieg zonder eten, in een vieze luier. Onbewust leerde ik toen om stil te zijn. Huilen had geen zin, want ik werd niet gehoord of gezien. Voor haar was ik een blok aan het been, en die frustratie werd op mij afgereageerd, met verstrekkende gevolgen.

Hoe het precies is gegaan, zal altijd onduidelijk blijven, maar zeker is dat mijn moeder mij als baby heeft mishandeld. Daarbij raakten zenuwen in mijn rug beschadigd, waardoor lopen altijd een uitdaging zou blijven. Ze bracht mij niet naar een dokter. Pas later, toen bleek dat ik trager liep en stond dan andere kinderen, kwam dat aan het licht.

Mijn grootouders wisten van dit alles niets, maar maakten zich zorgen en schakelden de Kinderbescherming in. Zij hadden op dat moment ook de zorg voor mijn halfbroer op zich genomen. Omdat ze al op leeftijd waren, was de zorg voor een baby te zwaar. Door hun melding werd ik op jonge leeftijd tijdelijk in een kindertehuis geplaatst.

De Kinderbescherming onderzocht onze thuissituatie. Die bleek verre van goed en er waren grote zorgen over mijn ontwikkeling. Mijn moeder beloofde beterschap en leek zich even te herpakken. Dat werkte. Ik werd opnieuw bij haar teruggeplaatst. Voor de buitenwereld leek alles in orde, maar haar onrust trok mij mee in haar losbandige leven. We bleven nergens lang. In anderhalf jaar tijd verhuisden we acht keer. Als ik haar te veel werd, bracht ze mij naar mijn grootouders. Ondertussen was ik twee jaar oud. Mijn ontwikkeling verliep niet goed en lopen ging nog steeds moeizaam. De zorg werd mijn grootouders opnieuw te zwaar en weer trokken zij aan de bel bij de Kinderbescherming.

Voor de tweede keer werd ik in een kindertehuis geplaatst. Deze keer werd mijn moeder uit de ouderlijke macht ontheven. De Raad voor de Kinderbescherming droeg de voogdij over aan Stichting De Opbouw.

Ditmaal zou ik de plaatsing bewust meemaken. En ik zou nooit meer terugkeren naar mijn moeder.

  1. De lange laan

Mijn eerste herinnering is van toen ik drie jaar oud was. Ik rijd met mijn moeder in de bus. Ik weet niet waar we naartoe gaan, maar ze heeft gezegd dat het leuk is en dat er meer kinderen zullen zijn. De bus rijdt langs de rand van een grote stad. Nog vóór we de stad in gaan, stappen we uit. We moeten nog een stuk lopen.

Ik zie een lange laan voor me. Aan de linkerkant lage flats. Daartegenover parkeerplaatsen, met daartussen bomen. Aan het eind van de laan staat een groot huis. Ik ben moe van de busreis en het lopen. Ik ben blij als we eindelijk voor de deur staan en mijn moeder aanbelt. Een oudere vrouw doet open en lacht vriendelijk naar me. Wanneer we naar binnen stappen, komen we in een voorportaal dat toegang geeft tot de rest van het huis. Het is afgescheiden met een deur met aan weerszijden twee grote ramen. Rechts zie ik een brede trap die naar boven leidt. Halverwege de trap zitten spijlen tot aan het plafond. Later zal ik vaak stiekem langs die spijlen naar beneden glijden.

We lopen langs deuren links en rechts, maar gaan rechtdoor en komen via klapdeuren in een grote keuken. De keuken grenst aan een achtertuin. Terwijl ik naar de deur loop die toegang geeft tot de tuin, zie ik kinderen spelen. De tuin is groot, omheind met bomen en helemaal ingericht voor kinderen: een grote zandbak, dubbele schommels waar je met z’n tweeën op kunt zitten, enkele schommels voor één persoon en een klimrek. Mijn moeder zegt dat ik ook moet gaan spelen. Schuchter loop ik de tuin in en ga op een schommel zitten. De mevrouw en mijn moeder blijven binnen en verdwijnen uit het zicht.

Terwijl ik schommel, bekruipt me een onrustig gevoel. Ik ben nog klein en kan er geen woorden aan geven, maar er klopt iets niet. Stil schommel ik heen en weer. Een hele tijd. De andere kinderen zijn druk met hun spel en hebben geen aandacht voor mij. Dan moet ik naar binnen. Naar de voorkant van het huis. Ik weet niet waarom. Ik loop via de tuindeur naar binnen en vind de hal waardoor we gekomen zijn. Aan de linkerkant zie ik een deur. Voorzichtig doe ik die open en loop een kamer in. Er staat een ronde tafel. Een tv-kast. Een piano.

Maar ik loop direct naar het grote raam dat uitkijkt op de lange laan. Halverwege de laan zie ik mijn moeder. Ze loopt weg van het huis waar ik ben. Ik kan niet geloven wat ik zie, maar het is echt.

Ik heb al geleerd dat geluid maken geen zin heeft. Als bevroren kijk ik naar het beeld dat zich als een film voor mij afspeelt. Zonder geluid rollen er tranen langs mijn wangen. Diep vanbinnen weet ik het al. Ik zal hier moeten blijven. Mijn moeder komt niet meer terug om mij op te halen.

Zo begon mijn leven in het kindertehuis.

Benieuwd hoe het verdergaat?

Scroll naar boven